De Sionskerk, Mariënberg

 

"U hebt Uw volk een harde zaak doen zien, U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.
Maar nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen,
om die op te heffen als teken van de waarheid."

(Psalm 60:5-6)

In november 1918 schreef prof. dr. K. Schilder een lezenswaardige Schriftoverdenking over Psalm 60:5-6 onder de titel: “De strijd om de banier”. Prof. dr. K. Schilder Deze Schriftoverdenking schreef hij ter herinnering aan de nationale synode van Dordrecht die op 13 november 1618 werd geopend. Hoewel er kritiek valt te leveren op de parallel die Schilder trekt tussen Israël in Psalm 60 en de Nederlanden in de 16e/17e eeuw, vinden we het een heel actuele en boeiende overdenking die ons vandaag, 100 jaar later zeker nog stof tot nadenken geeft. We hebben de overdenking opgefrist en aangepast aan het taalkleed van onze tijd. Het origineel kunt u vinden in het boek: Om woord en kerk 1, pag. 176-179. De kopjes zijn door ons geplaatst.


 

400 jaar synode van Dordt

Synode van Dordt

Het lijkt er veel op dat de oorlogswaanzin van de slagvelden van de wereld is overgeslagen op kerken. In het vorige jaar 2017 vierden we, 500 jaar na 1517, ons krijgshaftig Hervormingsfeest. 500 jaar reformatie! Wat hebben we toen onze wapens laten blinken! En dit jaar 2018 is het al weer een gloriëren in de behaalde zege na een lange worsteling. Want de tweede week van november herdenken we de Nationale Synode van Dordrecht. Deze synode begon haar eerste zitting op 13 november 1618. Dus 400 jaar geleden…

 

1618: behoud van 1517

Maar… toch zoeken wij de oorlog niet òm de oorlog. Ook de slagvaardigheid die wij in de Dordtse synode van 1618/19 bewonderen, is geen uiting van militarisme geweest. Een krijgshaftig vechten òm te vechten. Nee, het ging in 1618 om het behoud van 1517. Het jaar 1517 - de hervorming o.l.v. Luther en later Calvijn - had ons de Bijbel teruggegeven. En 1618 heeft hem behouden. Anno 1517 was men wat haastig: de buit is toen wel gegrepen, maar niet veilig genoeg belegd. Dàt werd wel gedaan door de synode van Dordt in 1618. In 1517 is het goud naar boven gebracht door de (ook geestelijke) mijnwerkerszoon Maarten Luther. Maar deze gouddelver had geen tijd om het fijne goud te zuiveren van het grove zand. Dat gebeurde in 1618. Toen is het goud van de Gereformeerde leer gelouterd en helder naar voren gebracht. In 1517 brak de stroom van het ‘leven uit vrije genade’ door. En dat werd een prachtig gezicht van een geweldig bruisende waterval. Maar de synode van Dordt ging in 1618 die stroom in zijn bedding leiden. Toen is de bedding verdiept, uitgegraven en - de stroom van de vrije genade bood toen het aanzien van een in stille majesteit stromende rivier.

 

Dubbele ellende

Dat ging echter niet zonder slag of stoot. De psalmdichter van Psalm 60 weet het heel goed, dat de banier van de waarheid niet vanzelf wordt opgericht. Vóór het zo ver kon komen, moest er eerst veel ellende worden doorstaan:

U hebt Uw volk een harde zaak doen zien,
U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.

Zo spreekt de dichter zich uit. Dat is dus dubbele ellende: Een ‘harde zaak’ komt van buiten af. En de bedwelmende wijn die ze hebben gedronken, komt van binnen uit hen deren. Wat bedoelt de dichter hier nu mee? Dat valt te lezen in het opschrift van deze Psalm, vers 2. David had gestreden met twee vijanden. Met de Syriërs in de eerste plaats. En daarna met de Edomieten. De Syriërs, destijds een machtig volk, waren overwonnen. Maar nauwelijks was de strijd voorbij, of de zoete waan dat het nu eindelijk vrede kon worden, werd wreed verstoord. Want terwijl in het noorden de Syriërs werden verslagen, brachten opeens de boden het bericht dat in het zuiden de Edomieten verraderlijk het land waren binnengevallen. En op dat bericht moest het leger zich onmiddellijk omkeren. Op dat moment, toen het leger van Israël weer uittrok, de Edomieten tegemoet, werd deze Psalm gedicht.

 

Opnieuw strijd

Is het niet zo dat dit hard was? Een bittere pil om te slikken: bedwelmende wijn. Eerst denken dat het nu eindelijk eens afgelopen is met de strijd, en dan blijkt dat je toch weer moet vechten…

Maar – was het eigenlijk niet precies zó in de dagen vóór de Dordtse synode? In 1609 was na jarenlang vechten tegen Spanje eindelijk het twaalfjarig bestand gekomen. De verenigde gewesten van de Nederlanden waren – ook door Spanje – erkend als onafhankelijke landen. Eindelijk was er stilstand gekomen in het oorlogsbedrijf! Eindelijk dan toch vrede en kon men op adem komen. Ja, zo dacht men. Maar de rust keerde niet terug. Want de remonstrantse onrusten brachten minstens even grote ellende over ons land als de pas gestaakte oorlog.

 

Broederstrijd tussen Israël en Edom

Nog in een ander opzicht is Psalm 60 in deze ‘Dordtse week’ ónze psalm. Want wie waren Israëls vijanden? Allereerst de Syriërs. Dat was te begrijpen. Zij waren immers heidenen van de meest heidense soort. Maar vervolgens ook de Edomieten. Zij waren de tweede vijand. En dát was zo triest. Want Edom was toch het broedervolk? Edom, dat is hetzelfde als Ezau. De broeder van Jakob. En die tegenstelling tussen Jakob en Ezau is een blijvende antithese geweest! Ze waren in één tent geboren. Broers waren ze van één vader. Maar er kwam twist tussen die twee broers. En in de grond van de zaak ging die twist over de uitverkiezing. In Mal. 1:2b-3 lezen we: “Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.” Dat verklaart alles. Jakob is door God uitverkoren, ondanks zijn zonde. En Ezau is dat niet, ondanks zijn robuuste, impulsieve natuur. En dat kan Ezau niet verkroppen. Ezau, de hemelbestormer en de verpersoonlijking van de éigen kracht. Die worsteling tussen Jakob en Ezau is een wereldbeeld geworden. De broer bestreed zijn broer. Die strijd werd door hun nakomelingen voortgezet. Steeds bleef het de worsteling tussen geestelijk en ongeestelijk zaad. Tussen Gods uitverkiezing of de vrij-werkende, zelfbewuste wil van zijne hoogheid de Mens! Die strijd werkte ook hier door bij in de inval van de Edomieten in het land van Israël. Het was de oude erf-vete.

 

Broederstrijd tussen Gereformeerden en Remonstranten

In de tijd voor de synode van Dordt, begin de 17e eeuw, deden onze vaderen soortgelijke ervaringen op. Eerst streden ze tegen ‘Syrië’. En toen tegen ‘Edom’. Dat wil zeggen: eerst tegen Spanje - tegen de Roomsen. Tegen de inquisitie, tegen koning Philips II en zijn leger. Dat was erg. Een harde zaak. Bedwelmende wijn.

Maar nog harder was het toen ze daarna tegen de Remonstranten moesten strijden. Want zij waren Edom, het broedervolk! Ook zij waren met ons zonen van één vader. Geboren mét ons in één ‘tent’. Ze waren immers toch óók kinderen van de Hervorming van 1517? Ja, dat waren ze. Maar zoals in de tent van Izak de splitsing zich voortzet, zo is het ook in het kamp van de zonen van de Hervorming. Dát was het geding tussen de Gereformeerden en de Remonstranten. En ook hier ging de twist over de uitverkiezing. Weer kwam het oude verzet opduiken van ‘edomietische’ wijsheid. Dat is menselijke wijsheid die het niet kán goedkeuren dat Jakob niets menselijker of beter is dan Ezau in zichzelf, en dat God toch de één aanneemt en de ander verwerpt.

 

Een banier gegeven

Een harde zaak. Bedwelmende wijn. Maar de verlossing is wel gekomen, aldus de dichter in Psalm 60: “Maar nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen.” De heidenen hebben een spreekwoord: “wie de godheid wil verdelgen, die maakt hij dol, radeloos. Die geeft ze…….bedwelmende wijn.”

BanierMaar dat zegt het christendom niet. Juist om te behouden, om te louteren, gaf God die bedwelmende wijn. Van de verwarring, van het waggelen door de bedwelmende wijn ging het tot de zekerheid, de vastberadenheid van de banier! De banier is toch het kort begrip van het weten en willen van de strijders. De banier wappert juichend en bevat een kort, kernachtig opschrift of een betekenisvol symbool. Daarmee is de banier de band die de strijders verenigt. En zó ziet ook David zijn strijders oprukken: vooruit! De banier dragen ze mee. Maar als ze oprukken dan jubelt zijn hart, dat God zijn dappere strijders zelf voorgaat. Dat God ze opnieuw zelf de banier in de vuist heeft gedrukt.

In de Dordtse dagen was dat ook zo. De banier is ontrold. Fier uitgedragen werd de standaard van de Hervorming. Sola fide: alleen door het geloof. Maar dat geloof was dan ook weer geen verdienste. De Remonstranten beweren dat dit wel zo is. Maar als dát waar is, dan is de Hervorming toch weer verloochend. Dan heeft Rome met zijn verdienstelijkheidsleer tóch weer gelijk gekregen… Nee, zei toen de synode van Dordt, in onze banier staat dat een mens alleen door genade zalig wordt. Daarom kan dan ook zijn geloof niet zijn gerechtigheid voor God zijn.

 

De banier opnieuw gegeven

Zo zien we dat Dordt dus geen nieuwe leus had. En ook geen nieuwe banier. Het was de oude, maar die werd opnieuw in de strijd geworpen. En zijn leus, de leer van de vrije genade, heeft men toen consequent doorgedacht tot de grote gedacht van de uitverkiezing toe. Alleen zó krijgt God alleen de eer: soli deo gloria! En dat schreef Luther toch al in de banier van de Hervorming? 

Die banier heeft God opnieuw aan zijn strijders gegeven. Daarin ligt het verlossende element ook voor Davids besef. Hij ziet zijn strijders uitgaan met leeuwenmoed. Want God zelf voert ze aan. En dan is het ook goed. Dan komt het ook goed. Toen Israël zelf de ark in het leger haalde, verloren ze de slag. Maar toen God de banier gaf, toen kwam de overwinning! U hebt dat gedaan. Dat is de jubel van de tekst. Dat was ook de overtuiging van Dordt. Want de Remonstranten wilden op voet van gelijkheid hun leer laten onderzoeken. Maar de kerk is voor die druk niet geweken. De kerk wist, dat de banier van het Woord door God zelf in de hand was gegeven. Daarom konden onze vaderen de Remonstranten niet op voet van gelijkheid behandelen, omdat ze dat Woord en zijn gezag aantastten. Als onze vaderen dat wel zouden doen, dan zouden ze daarmee de banier weer achter een scherm hebben gezet.

Nu dan, daarin lag ook hun dankbaarheid. Ze hebben, met Davids knechten, de banier opgeheven. Of zoals we beter kunnen vertalen: ze hebben zich er om heen geschaard. De strijd is gestreden in het zicht van de banier en van haar wachtwoord: het beginsel van 1517. Toen hebben ze wonderen gedaan.

 

Gegrepen door de waarheid

Wij sukkelen jarenlang over één zinnetje in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Des te meer kunnen we versteld staan over zo’n werk als de Dordtse Leeregels, die in zó korte tijd is opgesteld. Dordt heeft daarin Gods soevereiniteit uitgeroepen. Maar ook zijn ontferming. Zijn onweerstandelijke wil, maar ook zijn ernstige roeping tot het evangelie. Zijn onafwijsbare raad, maar ook onze verantwoordelijkheid. Zijn alleen-werkende kracht in de wedergeboorte, maar toch ook onze vernieuwde werkzaamheid. En de verklaring van dat wonder? Nu, ze hieven de banier op: als teken of vanwege de waarheid. De waarheid zélf was hun drijvende, dwingende en stuwende macht. Ze konden niet anders.

Hoe zit het met ons, geestelijke nageslacht van Dordt? Hoe vaak stellen wij ons tevreden met het armoedige spel van: de banier opheffen voor de waarheid? Maar dat is best gemakkelijk: strijden voor de gereformeerde leer, voor een leus, voor een partijwoord, etc.

Daarom de vraag aan u en jou: kent u het geheim van de kracht van Dordt? Namelijk: het uitdragen van de banier vanwege de waarheid, omdat u zélf daardoor gegrepen bent? Juist de nalatenschap van Dordt, de leer van de uitverkiezing, legt deze klemmende vraag aan u voor: kent u ook zélf heel eigen, heel innig, persoonlijke godsvrucht (vroomheid)?

Laten we daarom jagen naar- en ons oefenen in die macht en in die innerlijke sterkte. Alleen dan kent u de heerlijke rijkdom van wat Dordt in stroeve taal verdedigt heeft: ‘het hangt niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.’

Alleen dan zijn we werkelijk kinderen van Dordt.

 

< - - - - - >