De Sionskerk, Mariënberg

 

"De eeuwige God is voor u een woning, en onder u zijn eeuwige armen."
(Deuteronomium 33:27a)

 

Resultaten uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst”, zo luidde eertijds de tekst van de ‘bijsluiter’ voor financiële producten. Vanwege onzekerheid en snel wisselende koersen. Geldt die tekst ook voor God en geloof? Er is zoveel onzekerheid en wisseling in het leven om ons heen. Mensen vallen weg. De jaren verstrijken. We moeten loslaten en achterlaten. Ook het jaar 2018 is voorbij gegaan. We nemen afscheid van 2018. Inmiddels hebben we 2019 begroet. Maar hoe kijken we nu naar 2019, naar de toekomst? Onzeker? Wantrouwend? De toekomst kan ons op zo’n moment bezighouden. We hebben D.V. weer een heel jaar voor de boeg. Wat zal de toekomst brengen? Hoe zal het ons vergaan? Wat zal er kerkelijk gebeuren? En in de wereld?.

 

 

Afscheid

In onze tekst is er ook sprake van afscheid, van wisseling van ‘de wacht’. Sprake van grote veranderingen. Het volk staat aan de poort van het beloofde land Kanaän. Het verleden, de lange en moeilijke woestijnreis kunnen ze achter zich laten en zich richten op de toekomst. Maar aan de vooravond van het binnentrekken van het beloofde land, van de nieuwe toekomst, hoort het volk dat voor Mozes het einde nadert, Deut. 32:49-50. Op zo’n belangrijk moment moeten ze hun grote leider loslaten. Dat is toch een aderlating? De persoon die zo belangrijk is voor het volk. Die zoveel voor het volk betekent. Mozes was hun steun en toeverlaat. En nu zegt de Heere dat Mozes afscheid moet nemen van het volk en gaat sterven…

 

Prestaties van Mozes?

Wat doet Mozes dan op zo’n beslissend moment? Hij geeft hen op het laatst het beste wat hij hen geven kan. In Deut. 33 zien we dat Mozes alle stammen zegent. Mozes spreekt ernstig en oproepend. Duidelijk. Dat heeft het volk ook nodig. Want terugkijkend naar het verleden was dat allemaal niet zo rooskleurig. Veel zonde en ongeloof kenmerkten die 40 jaren die achter hen liggen. Nee, als het aan het volk had gelegen, dan was er van de toekomst helemaal niets terecht gekomen. Toch is deze afscheidspreek van Mozes geen klaagzang over mensen, maar een lofzang op Gods grootheid en verbondstrouw.

Op zo’n belangrijk moment gaat Mozes echt niet over zichzelf praten. Hij wijst niet op eigen prestaties en resultaten al die jaren in de woestijn. Oh ja, hij was al die tijd voor het volk een leider, de middelaar en een vaderfiguur geweest. Maar zijn optreden was ook bevlekt met zonden en gebreken. Denk maar aan de zonde van Mozes en Aäron toen ze water uit de rots tevoorschijn moesten doen komen, Num. 20:2-13. Vanwege die zonde mochten zij beiden niet het beloofde land ingaan. Mozes was evenals het volk, een zondig, beperkt en eindig mens. Wat voor garantie kon hij het volk nu geven voor de toekomst? Wat heeft het volk nu aan hem nu hij afscheid moet nemen om te gaan sterven.

 

Prestaties van God

Mozes doet dan ook het enige dat hij moet doen als leider van het volk. Hij wijst niet naar het vergankelijke van benéden, naar mensen, naar macht, geld of goed. Maar hij wijst naar bóven, naar de HEERE, hun God. Hun hémelse Vader. Van Hem moeten ze en kúnnen ze alles verwachten voor de toekomst. Ook in die onzekere en moeilijke omstandigheden. Want: de eeuwige God is voor u een woning. Wat bedoelt Mozes hiermee? Dat wordt duidelijker als we wat beter kijken wat er staat. Het Hebreeuwse woord ‘eeuwige’ betekent hier letterlijk: ‘vanouds’, ‘eertijds’. De HEERE is de God die er altijd al is geweest. De God die was, die is en die komt. De God van verleden, heden en toekomst. Van de generaties en de jaren. De eeuwige God, die de tijden omspant.

 

'Vanouds'

Maar Mozes zegt het nog sterker. Anders vertaald kunnen we lezen: vanouds is God een woning. Hij wijst hiermee op Gods daden in het lange verleden voor zijn volk en kerk. Vanouds is God een woning. Al voor Abraham, Izaäk en Jakob. Bij de uittocht uit Egypte. De doortocht door de Rode zee. De lange en zware reis door de woestijn. Al die jaren en eeuwen is God er geweest voor zijn volk. Machtige, verlossende en genadige resultaten uit het verleden! Verbondstrouw in de praktijk getoond. Daarop wijst Mozes het volk in het bijzonder. En in hen ook de kerk vandaag aan het begin van 2019. Deze almachtige God heeft telkens weer in de lange geschiedenis voor zijn volk gezorgd. Hij was trouw aan zijn verbond. Aan wat Hij beloofd heeft. Die prestaties geven bij God garanties voor de toekomst. Zijn werk gaat door. Ook als Mozes wegvalt. Als de jaren wisselen en de jaartelling 2019 aangeeft.

 

Een eeuwige woning als toevlucht

Die resultaten, die daden vanouds vat Mozes nu samen met: …voor u een woning. In ons leven is onze woning belangrijk. Het is de vaste plaats waar we altijd weer terugkomen. Een woning geeft ons geborgenheid, veiligheid, rust. Het is ons thuis. Daar komen we op adem. Kunnen we bijtanken en krachten op doen. Daar kunnen we schuilen en huilen in moeilijke tijden. Nu, zegt Mozes, zo’n thuis, zo’n toevlucht is deze God vanouds voor zijn volk. Ook voor de kerk vandaag anno 2019. Kijk maar naar het afgelopen jaar en nog verder terug: vanouds. Met de jaarwisseling denken we daar ook aan met Ps. 90:1:

Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest van generatie op generatie.”

In Psalm 91:9 zegt de dichter:

U HEERE, bent mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt u tot uw woning gemaakt.

Mozes wijst het volk zo op wíe en hóe de HEERE vanouds voor zijn volk, de kerk, is geweest. De Bijbel staat er vol van. Resultaten uit het verleden. En die mogen voor het volk tóen, en voor de kerk vandaag garantie geven voor de toekomst. Ja, deze God is vanouds een toevlucht voor de toekomst die we niet overzien. Dat vroeg tóen van het volk en dat vraagt nú van de kerk, van u en jou persoonlijk, overgave aan deze eeuwige God. Dat vraagt gelóóf in Gods verbondsbeloften. Want in dat kader staan deze laatste hoofdstukken van Deuteronomium zeker. Wie trouw in het verbond met deze God leeft, die heeft deze God tot woning, tot toevlucht. Die vindt in dit leven een veilig thuis bij Hem. Dan mogen we in een onzekere wereld zekerheid, moed en geborgenheid vinden bij God. Bij zijn beloften, waaraan God vanouds steeds verder werkt om die te realiseren. Beloften waarmee Hij ook in de toekomst bij ons wil zijn. Beloften dat Hij verder wil gaan met zijn aloude kerkvergaderend werk. Op weg naar een nieuwe hemel en aarde, naar het beloofde hemels Kanaän.

Zullen we in dit nieuwe jaar 2019 dan bouwen op deze God en vertrouwen op zijn resultaten?

 

Niet op eigen kracht 

Mozes kent zichzelf en zijn volk door en door. Hij weet dat het volk niet in eigen kracht de toekomst in kan gaan. Naar het beloofde land Kanaän. Dat geldt ook voor ons. Ook wij kunnen niet in eigen kracht het hemels Kanaän, de nieuwe hemel en aarde bereiken. Wij zijn afhankelijk van God. We beginnen dit jaar niets zonder onze God vanouds. Zeker niet als we naar de wereld om ons heen kijken. Naar alle krachten en machten die er zijn. De duivel, zonde, de wereld en ons eigen vlees. Om staande te blijven als kinderen van God, om die eeuwige toekomst te beërven hebben we de hulp en kracht van de eeuwige God hard nodig. Daarop wijst Mozes ook in vers 27: onder u zijn eeuwige armen.

 

Gedragen door eeuwige armen

Dat betekent dat Gods volk, dat de kerk gedragen moet worden. Dat wijst op onze eigen zwakheid en afhankelijkheid. En op de trouw en hulp van God voor zijn volk. Gods eeuwige armen zijn onder ons. Eeuwige armen benadrukken Gods majesteit en kracht. Daarmee omringt God zijn volk op weg de toekomst in. Denk maar aan het bekende vers 20 van Psalm 68:

Geprezen zij de Here. Dag aan dag draagt Hij ons; die God is ons heil.”

Laten we in dat geloof en in Gods kracht dan het nieuwe jaar ingaan. Wetend dat we Hij onze toevlucht en sterkte is. En ons anno 2019 dag aan dag wil dragen.

Dat vraagt afzien van onszelf of van aardse hulp. Maar opzien naar de eeuwige God. Die vanouds een woning is voor zijn volk. Dan mogen we dit jaar zekerheid en rust vinden bij Hem. Een toevlucht.

Want bij deze eeuwige God geven de resultaten uit het verleden wél garantie voor de toekomst!

Gelovig gelukkig nieuwjaar!

 

< - - - - - >

 

"En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn."
(Jesaja 11:1 en 10)

 

Wat kenmerkte de eerste komst van de Christus in deze wereld? Wat is de stijl van zijn eerste advent en ook zijn tweede advent? Wat betekent dit voor onze adventsstijl? In onze tekst profeteert Jesaja hierover.

 

 

Grote heerlijkheid

Jesaja beschrijft in hoofdstuk 11 de grote heerlijkheid van de komende Messias en zijn koninkrijk. Daarin zal Gods volk mogen delen. Jesaja laat ook zien dat deze heerlijkheid voor de wereld dwaasheid is. Voor de wereld zijn deze Koning en zijn rijk onaanzienlijk en gering. De Messias en zijn rijk zijn niet volgens de stijl van deze wereld (Rom. 14:17; 1 Cor. 4:20).

 

Woud en wortel

De Heere geeft door Jesaja daarover verdere openbaring. Voor Israël was het een donkere tijd. Een tijd van ongeloof en achteruitgang van het huis en koninkrijk van David. In de wereldpolitiek telde het volk niet meer mee. Volk en koningshuis zijn een afgehouwen tronk. Van de eerdere machtige en mooie boom Israël is weinig meer over. Alleen nog een boomstronk, of de wortel in de grond. Een groot contrast met de vijanden rondom. Jesaja tekent Assyrië als een machtig woud met rijzige stammen (10:33-34). Vergeleken met de grote bomen van Assyrië stelt Israël als stronk of wortel niets meer voor. Wat dat betreft is er geen hoop en geen toekomst meer…

Maar hoor dan Jesaja:

een rijsje zal voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen (11:1).

De stronk of wortel betekent niet het einde van het volk. Er zal een takje uit de tronk komen en een scheut uit de wortels. Dat wijst op nieuwe groei en bloei. Op een nieuwe toekomst. Dat zal de Messias, de grote koning werken. Hij is dat rijsje, de toekomst.

 

Onaanzienlijk en gering

De stijl van dat werk beschrijft Jesaja met het beeld van een ‘rijsje uit de tronk van Isaï’. De grote koning zal onaanzienlijk en gering zijn. Als een klein takje aan een boomstronk. Het stelt niet zoveel voor als je het vergelijkt met die grote bomen van Assyrië. De Messias is de wortel van Isaï. Jesaja noemt hem niet in verband met de grote koningen David of Salomo. Maar wel in verband met Isaï. Van hem weten we bijna niets. Hij is een onbekende, zoals velen van het volk. Naar de mens gesproken niet de moeite waard om over naar huis te schrijven. Zo zal het met de komende Messias en zijn werk zijn. Hij zal gering en onaanzienlijk zijn. Voor de wereld stelt Hij niets voor. Een nietig rijsje uit een stronk. Isaï woonde in Bethlehem. Dat bevestigt de genoemde stijl van de Messias. Micha zegt immers:

En u, Bethlehem-Efratha, al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda, uit u zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël. Zijn oorsprongen zijn van oudsher, van eeuwige dagen af”, Micha 5:1.

Bethlehem was de geringste onder de geslachten in Juda. Een dorp dat niets betekende. Vooral niet te vergelijken met de heerlijkheid van de grote koningsstad Jeruzalem! Nee, de Messias zal voortkomen uit de kleine stad van David!

 

Gods wijsheid

Jesaja profeteert hoe de Messias en zijn regering zal zijn. In welke stijl Hij zal komen en regeren. Niet volgens de wijsheid van de wereld. Niet met glitter en glamour, de pracht en praal en macht die de stijl van de wereld kenmerkt. Nee, God heeft in zijn wijsheid uitverkoren wat voor de wereld dwaas is, wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, wat niets is, om aan wat wèl iets is zijn kracht te ontnemen (vgl. 1 Cor. 1:26-31). Paulus zegt dan ook van Christus

dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door zijn armoede rijk zou worden”, 2 Cor. 8:9.

Goddelijke wijsheid tegenover wereldse wijsheid. Dat was en is nog vandaag steeds de adventsstijl van Christus. In die weg en stijl komt het tot een heerlijke verlossing, die uit God is en niet uit of naar de mens. Denkt u hieraan in deze adventsperiode? Komt uw adventsverwachting en uw kerstfeest overeen met de stijl van Gods wijsheid of volgt u het schema van de wereld in deze maand vol glitter en glamour om ons heen?

 

Leven uit wortel van Isaï

Een groot contrast tussen het wereldse woud en de onaanzienlijke wortel van Isaï. Maar tóch vergaat het woud van Assyrië. De Heere kapt al die bomen om zodat er niets van over blijft, Jesaja 10:33-34. En dan zien we dat in de onaanzienlijke wortel van Isaï léven zit! Want uit de stronk komt een rijsje voort. De scheut uit de wortel zal vrucht dragen. Dat betekent dat het volk en koningshuis niet langer een omgehakte boom zijn. Maar de stronk zal weer gaan uitlopen en tot groei en bloei komen! Het leven zit in de wortel en dát leven gaat zich tonen. De komende Messias, Jezus Christus, Hij is dat leven. Hij is de wortel van Isaï. Hij zorgt voor nieuwe groei. Er komt weer een boom met vele takken, waarin ook andere takken geënt zijn en deelhebben aan de saprijke wortel (Rom. 11:17).

 

De wortel als banier

Jesaja profeteert dat door het werk van de Messias deze scheut zal groeien. Het wordt een sterkte boom in kracht en omvang. Jesaja zegt dat de wortel van Isaï zal staan “als een banier van de natiën”. De wortel is nu niet meer onzichtbaar en onbekend. Maar als banier staat Hij midden in de wereld. Dat wil zeggen dat Christus verhoogd is (vgl. Joh. 3:14). Zijn banier staat vast, duidelijk zichtbaar voor de volken. Zijn verhoging is tot heil en zegen van de volken. Christus regeert als HEERE vanuit de hemel over de wereld en zijn kerk. Op de prediking van het ‘Jezus is HEERE’ komen velen uit de volken tot geloof. Ze vinden door het geloof onder deze banier van Christus verlossing en eeuwig heil. De Heere laat door Paulus zien dat dit in de gelovigen uit de heidenen is vervuld. In hen is het wonder van Gods genade en heerlijkheid openbaar geworden. Paulus citeert in Rom. 15:12 onze tekstverzen uit Jes. 11:

Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen.

De wortel van Isaï draagt veel vrucht. Dat wil ook zeggen dat de bouw, de bewaring en de toekomst van de kerk gegarandeerd is en vast ligt in Jezus Christus.

 

Heerlijke residentie

Christus regeert nu door zijn Woord en Geest. Door de verkondiging van het evangelie van zijn komst en werk maakt Hij de wereld rijp voor het oordeel bij zijn tweede advent (Jes. 11:4-5). Dat evangelie is de wereld over gegaan en volbrengt nog steeds wat God behaagt. Christus vergadert door het evangelie zijn kerk in deze wereld. Zij is het nieuwe Jeruzalem (Openb. 21:2 en 10). Daar maakt Christus door zijn Geest woning (1 Cor. 3:16; Ef. 2:22). De gemeente is de heerlijkheid van Christus. Omdat Hij zélf haar wortel is en haar vergadert, beschermt en onderhoudt. De kerk is het werk van zijn handen. In deze heerlijke residentie schenkt de wortel van Isaï, de banier van de volken, zijn zegen: eeuwig leven en vrede. Laten we in deze advents- en kerstperiode de heerlijkheid en vreugde in Christus en zijn werk zoeken.

< - - - - - >

Weet u niet dat u Gods tempel bent
en dat de Geest van God in u woont?

(1 Korinthiërs 3:16, HSV)

 

Met Pinksteren komt sterk naar voren de grote heerlijkheid en uitnemendheid van de kerk van de Heere Jezus Christus. Die heerlijkheid en uitnemendheid gaat elke menselijke vereniging en organisatie ver te boven. Waarom? Het is omdat de Geest van God in de kerk woont en werkt:

O, Schepper, Geest, woon in uw kerk
Schenk haar het heil van Christus’ werk,
Stort hemel gaven in haar uit,
Bereid haar toe als reine bruid (Gez. 27:1).

 

Kerk als tempel

De kerk is de tempel van God in het Nieuwe Testament. De tempel van steen en hout heeft afgedaan. Het gordijn is immers gescheurd. De tempeldienst is afgeschaft. Het kerkgebouw dat we nu gebruiken heeft op zichzelf niets heiligs. De vergaderplaats is niet de woonplaats van God, maar de vergadering van de gelovigen is dat wél. En daarom mag die vergadering van gelovigen de naam ‘kerk’ dragen. De gelovigen zijn volgens de Bijbel immers het ‘Huis van de Heere’, Hebr. 3:6. Als levende stenen worden we door het cement van de Heilige Geest samengevoegd en gebouwd tot een geestelijk huis, 1 Petr. 2:5. Gedragen door- en gebouwd op het fundament van apostelen en profeten verrijst dit gebouw van de kerk tot een heilige tempel in de Heere, Ef. 2:20-21.

 

Onvolmaakte woonplaats van de Geest

De Heilige Geest woont in de kerk. Het is goed om daar eens in het bijzonder bij stil te staan. Niet voor niets herinnert Gods Woord de kerk daar aan: "Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?" Die herinnering is nodig om de gelovigen op te beuren en op te wekken. Maar ook voor iedereen die kerk van Christus geringschat, en voor iedereen van wie de levenswandel niet past bij de heiligheid van de kerk.

Het wonder van Gods genade is toch dit, dat de Heilige Geest wil wonen in een onvolmaakte tempel. Hij komt niet pas in de gemeente wonen, als alles zuiver en perfect is, als alle onreinheid en onvolmaaktheid is weggedaan bij de kerk en bij de gelovigen... Nee, de Heilige Geest heeft de kerk tot woning gemaakt vanaf het bègin van de bouw. De kerk ontstaat en bestaat door het werk van de Geest. Christus vergadert, beschermt en onderhoudt een gemeente door zijn Geest en Woord, zondag 21.

Voor de gemeente is het Woord van God haar léven, ontstaan en voortbestaan. Want de Geest woont en werkt met grote kracht in de kerk die trouw is aan het Woord van God. ‘Uw krachten werken door het Woord’, Gez. 27:4. Daarom is het van groot belang dat de kerk zich houdt aan het Woord als de enige norm en bron voor het vergader- en bouwwerk. En dat ze alles verwerpt wat daarmee in strijd is (art. 29 NGB).

 

Werkplaats van de Geest

Hoe trouw en zuiver de kerk zich ook houdt aan het Woord van God, dat wil nog niet zeggen dat de kerk, de vergadering van gelovigen zélf zuiver en volmaakt is. Of zonder onreinheid. Nee, de kerk is de werkplaats, de bouwplaats van de Heilige Geest. Hij woont vanaf het begin van de bouw in de kerk en werkt aan de voortgaande bouw.

Er is zo vaak maar zo weinig van de schoonheid, de heerlijkheid en heiligheid van de kerk te zien. Wat een vlekken, rimpels en tekorten zijn er op te merken. Denk maar eens aan de gemeente van Korinthe. Meer dan andere gemeenten ontving zij de bevestiging dat de Heilige Geest in haar woonde. Toch was er in deze gemeente sprake van ruzie, twist, het benijden van elkaar en partijschappen. Er werden beschamende zonden in haar midden bedreven. En hoe droevig stond het er zelfs met het gebruik van het avondmaal voor! Sommigen trokken zich vanwege al dat verkeerde en gebrekkige van de gemeente van Christus terug. Die zou niet rein en heilig genoeg zijn om bij te horen...

 

Oproep van Paulus

Maar wat zegt de apostel Paulus nu? Je zou verwachten dat hij deze mensen gelijk geeft. Zo van: jullie hebben gelijk. Het is niets en wordt ook niets. Je kunt beter maar vertrekken of geen lid worden. Dat doet Paulus echter niet. En al evenmin vervalt hij in een onbijbelse tolerantie van zonde in de kerk. Hij accepteert niet de status quo van de gebrokenheid en zondigheid die er in deze bedeling is. Hij geeft de zonde en onheiligheid, de ontrouw aan het Woord zeker geen legale, wettige plaats in de kerk.

Nee, Paulus wijst de gemeente juist terecht! Hij stelt zonden en misstanden onomwonden aan de kaak. Hij roept de gemeente op tot bekering en terugkeer naar de trouw aan het Woord. Paulus durft tegen deze bevlekte, en onvolmaakte kerk van Korinthe te zeggen: "u bent Gods tempel en de woning van de Geest!" Ja, laat dat eens tot u doordringen...

Daarmee is toch ook elk onttrekken aan de gemeente vanwege haar rimpels en vlekken, te korten en problemen veroordeeld. Calvijn zegt ergens dat we de kerk niet mogen verwerpen zolang zij bij de kenmerken blijft, ook al is ze overigens vol met fouten en gebreken. Nee, zolang de kerk trouw is aan het Woord van God, daarop aanspreekbaar is (in de kerkelijke weg) en verwerpt wat in strijd is met het Woord, zullen we nooit de kerk mogen verlaten. Paulus waarschuwt dan ook in dit verband dat wie dit doet de tempel van God te gronde richt, God zal hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig, en deze tempel bent u (1 Kor.3:17).

 

Maatstaf

De maatstaf is dus niet of er tekorten, problemen en onheiligheid in de kerk is. Maar of de kerk trouw is en wil blijven aan het Woord van God. Het Woord als werktuig van de Geest om daarmee de kerk te heiligen en te bouwen! Doorgaand te formeren en re-formeren. Als de Geest van God in een onvolmaakte kerk met vlekken en rimpels wil wonen, wie durft dan nog te zeggen: ik ga weg of ik blijf er nog maar buiten omdat de kerk zo onvolmaakt is. Of omdat er tekorten en moeiten zijn? Ook dan geldt dat de kerk beoordeeld moet worden op haar trouw aan haar Gods Woord en de belijdenis, haar ‘kerkelijke papieren’. Dus op haar maatstaf van kerkvergadering. Als dat ‘in orde’ is, dan vergadert Christus daar en wil Hij door zijn Geest wonen in die trouwe kerk, ook al is ze onvolmaakt en kampt ze met tekorten. Maar daarvoor woont en werkt Gods Geest er dan ook met de kracht van het lévende Woord!

Daarom is het van belang om niet uitsluitend op het puin en steigerwerk te zien, dat nog van de tempel weggenomen moet worden. Het oog moet vooral gericht zijn op de gemeente als de woning van de Geest van God! Waar Hij werkt door het Woord. Ja, dan gaan we die gemeente hoogachten. Dan achten we haar gemeenschap onmisbaar en willen we ons ook van harte geven en inzetten voor die gemeenschap en de verdere opbouw van die kerk waar Gods Geest woont en werkt.

 

Roeping

Maar dat plaatst de gelovigen tegelijk ook voor een roeping. Omdat de Geest in de gemeente woont heeft elk lid een belangrijke taak. Er moet dan een heilige levenswandel zijn onder de leden van de kerk. Met het oog daarop stelde Paulus deze vraag aan de gemeente te Korinthe: "Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?"

In die vraag ligt een bestraffing van hun zonden. Een oproep om daarmee te breken en heilig te leven. Een oproep om te breken met de werken van het vlees en te vertonen de vruchten van de Geest! In de tempel van Gods Geest mag niemand leven naar het vlees, maar moet er gewandeld worden naar de Geest.

Dat betekent dat we in heel ons leven steeds moeten tonen dat we tempelgangers, kerkleden zijn. We moeten steeds beseffen dat Gods Geest in de gemeente en in de gelovigen als leden woont! We dienen als leden van de gemeente de grote daden van de Heere te verkondigen in heel ons leven, bij alles wat we doen. Ja, we kunnen de tempel van God afbreuk doen door een losbandig leven. Of de tempel schenden door toe te geven aan de zonde en de werken van het vlees. Daarop rust geen zegen. Integendeel, daarmee brengen we de tempel, de woonplaats van de Geest schade toe.

 

Voorbeeld

Paulus roept ons in ons tekstvers op om met al onze gaven van harte mee te werken aan het welzijn, de opbouw en heiliging van de gemeente. De Heilige Geest geeft ons daartoe een voorbeeld. Hij kwam in de gemeente wonen en werken om haar steeds meer toe te bereiden als reine bruid. Dus om aan haar heil en heiligheid te werken, om haar te troosten, te onderwijzen, te leiden in de waarheid, haar te zegenen en voor haar te bidden.

Laten we allemaal dat voorbeeld van de Geest navolgen in zijn kracht!

 

 

 

 

"U hebt Uw volk een harde zaak doen zien, U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.
Maar nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen,
om die op te heffen als teken van de waarheid."

(Psalm 60:5-6)

In november 1918 schreef prof. dr. K. Schilder een lezenswaardige Schriftoverdenking over Psalm 60:5-6 onder de titel: “De strijd om de banier”. Prof. dr. K. Schilder Deze Schriftoverdenking schreef hij ter herinnering aan de nationale synode van Dordrecht die op 13 november 1618 werd geopend. Hoewel er kritiek valt te leveren op de parallel die Schilder trekt tussen Israël in Psalm 60 en de Nederlanden in de 16e/17e eeuw, vinden we het een heel actuele en boeiende overdenking die ons vandaag, 100 jaar later zeker nog stof tot nadenken geeft. We hebben de overdenking opgefrist en aangepast aan het taalkleed van onze tijd. Het origineel kunt u vinden in het boek: Om woord en kerk 1, pag. 176-179. De kopjes zijn door ons geplaatst.


 

400 jaar synode van Dordt

Synode van Dordt

Het lijkt er veel op dat de oorlogswaanzin van de slagvelden van de wereld is overgeslagen op kerken. In het vorige jaar 2017 vierden we, 500 jaar na 1517, ons krijgshaftig Hervormingsfeest. 500 jaar reformatie! Wat hebben we toen onze wapens laten blinken! En dit jaar 2018 is het al weer een gloriëren in de behaalde zege na een lange worsteling. Want de tweede week van november herdenken we de Nationale Synode van Dordrecht. Deze synode begon haar eerste zitting op 13 november 1618. Dus 400 jaar geleden…

 

1618: behoud van 1517

Maar… toch zoeken wij de oorlog niet òm de oorlog. Ook de slagvaardigheid die wij in de Dordtse synode van 1618/19 bewonderen, is geen uiting van militarisme geweest. Een krijgshaftig vechten òm te vechten. Nee, het ging in 1618 om het behoud van 1517. Het jaar 1517 - de hervorming o.l.v. Luther en later Calvijn - had ons de Bijbel teruggegeven. En 1618 heeft hem behouden. Anno 1517 was men wat haastig: de buit is toen wel gegrepen, maar niet veilig genoeg belegd. Dàt werd wel gedaan door de synode van Dordt in 1618. In 1517 is het goud naar boven gebracht door de (ook geestelijke) mijnwerkerszoon Maarten Luther. Maar deze gouddelver had geen tijd om het fijne goud te zuiveren van het grove zand. Dat gebeurde in 1618. Toen is het goud van de Gereformeerde leer gelouterd en helder naar voren gebracht. In 1517 brak de stroom van het ‘leven uit vrije genade’ door. En dat werd een prachtig gezicht van een geweldig bruisende waterval. Maar de synode van Dordt ging in 1618 die stroom in zijn bedding leiden. Toen is de bedding verdiept, uitgegraven en - de stroom van de vrije genade bood toen het aanzien van een in stille majesteit stromende rivier.

 

Dubbele ellende

Dat ging echter niet zonder slag of stoot. De psalmdichter van Psalm 60 weet het heel goed, dat de banier van de waarheid niet vanzelf wordt opgericht. Vóór het zo ver kon komen, moest er eerst veel ellende worden doorstaan:

U hebt Uw volk een harde zaak doen zien,
U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.

Zo spreekt de dichter zich uit. Dat is dus dubbele ellende: Een ‘harde zaak’ komt van buiten af. En de bedwelmende wijn die ze hebben gedronken, komt van binnen uit hen deren. Wat bedoelt de dichter hier nu mee? Dat valt te lezen in het opschrift van deze Psalm, vers 2. David had gestreden met twee vijanden. Met de Syriërs in de eerste plaats. En daarna met de Edomieten. De Syriërs, destijds een machtig volk, waren overwonnen. Maar nauwelijks was de strijd voorbij, of de zoete waan dat het nu eindelijk vrede kon worden, werd wreed verstoord. Want terwijl in het noorden de Syriërs werden verslagen, brachten opeens de boden het bericht dat in het zuiden de Edomieten verraderlijk het land waren binnengevallen. En op dat bericht moest het leger zich onmiddellijk omkeren. Op dat moment, toen het leger van Israël weer uittrok, de Edomieten tegemoet, werd deze Psalm gedicht.

 

Opnieuw strijd

Is het niet zo dat dit hard was? Een bittere pil om te slikken: bedwelmende wijn. Eerst denken dat het nu eindelijk eens afgelopen is met de strijd, en dan blijkt dat je toch weer moet vechten…

Maar – was het eigenlijk niet precies zó in de dagen vóór de Dordtse synode? In 1609 was na jarenlang vechten tegen Spanje eindelijk het twaalfjarig bestand gekomen. De verenigde gewesten van de Nederlanden waren – ook door Spanje – erkend als onafhankelijke landen. Eindelijk was er stilstand gekomen in het oorlogsbedrijf! Eindelijk dan toch vrede en kon men op adem komen. Ja, zo dacht men. Maar de rust keerde niet terug. Want de remonstrantse onrusten brachten minstens even grote ellende over ons land als de pas gestaakte oorlog.

 

Broederstrijd tussen Israël en Edom

Nog in een ander opzicht is Psalm 60 in deze ‘Dordtse week’ ónze psalm. Want wie waren Israëls vijanden? Allereerst de Syriërs. Dat was te begrijpen. Zij waren immers heidenen van de meest heidense soort. Maar vervolgens ook de Edomieten. Zij waren de tweede vijand. En dát was zo triest. Want Edom was toch het broedervolk? Edom, dat is hetzelfde als Ezau. De broeder van Jakob. En die tegenstelling tussen Jakob en Ezau is een blijvende antithese geweest! Ze waren in één tent geboren. Broers waren ze van één vader. Maar er kwam twist tussen die twee broers. En in de grond van de zaak ging die twist over de uitverkiezing. In Mal. 1:2b-3 lezen we: “Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.” Dat verklaart alles. Jakob is door God uitverkoren, ondanks zijn zonde. En Ezau is dat niet, ondanks zijn robuuste, impulsieve natuur. En dat kan Ezau niet verkroppen. Ezau, de hemelbestormer en de verpersoonlijking van de éigen kracht. Die worsteling tussen Jakob en Ezau is een wereldbeeld geworden. De broer bestreed zijn broer. Die strijd werd door hun nakomelingen voortgezet. Steeds bleef het de worsteling tussen geestelijk en ongeestelijk zaad. Tussen Gods uitverkiezing of de vrij-werkende, zelfbewuste wil van zijne hoogheid de Mens! Die strijd werkte ook hier door bij in de inval van de Edomieten in het land van Israël. Het was de oude erf-vete.

 

Broederstrijd tussen Gereformeerden en Remonstranten

In de tijd voor de synode van Dordt, begin de 17e eeuw, deden onze vaderen soortgelijke ervaringen op. Eerst streden ze tegen ‘Syrië’. En toen tegen ‘Edom’. Dat wil zeggen: eerst tegen Spanje - tegen de Roomsen. Tegen de inquisitie, tegen koning Philips II en zijn leger. Dat was erg. Een harde zaak. Bedwelmende wijn.

Maar nog harder was het toen ze daarna tegen de Remonstranten moesten strijden. Want zij waren Edom, het broedervolk! Ook zij waren met ons zonen van één vader. Geboren mét ons in één ‘tent’. Ze waren immers toch óók kinderen van de Hervorming van 1517? Ja, dat waren ze. Maar zoals in de tent van Izak de splitsing zich voortzet, zo is het ook in het kamp van de zonen van de Hervorming. Dát was het geding tussen de Gereformeerden en de Remonstranten. En ook hier ging de twist over de uitverkiezing. Weer kwam het oude verzet opduiken van ‘edomietische’ wijsheid. Dat is menselijke wijsheid die het niet kán goedkeuren dat Jakob niets menselijker of beter is dan Ezau in zichzelf, en dat God toch de één aanneemt en de ander verwerpt.

 

Een banier gegeven

Een harde zaak. Bedwelmende wijn. Maar de verlossing is wel gekomen, aldus de dichter in Psalm 60: “Maar nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen.” De heidenen hebben een spreekwoord: “wie de godheid wil verdelgen, die maakt hij dol, radeloos. Die geeft ze…….bedwelmende wijn.”

BanierMaar dat zegt het christendom niet. Juist om te behouden, om te louteren, gaf God die bedwelmende wijn. Van de verwarring, van het waggelen door de bedwelmende wijn ging het tot de zekerheid, de vastberadenheid van de banier! De banier is toch het kort begrip van het weten en willen van de strijders. De banier wappert juichend en bevat een kort, kernachtig opschrift of een betekenisvol symbool. Daarmee is de banier de band die de strijders verenigt. En zó ziet ook David zijn strijders oprukken: vooruit! De banier dragen ze mee. Maar als ze oprukken dan jubelt zijn hart, dat God zijn dappere strijders zelf voorgaat. Dat God ze opnieuw zelf de banier in de vuist heeft gedrukt.

In de Dordtse dagen was dat ook zo. De banier is ontrold. Fier uitgedragen werd de standaard van de Hervorming. Sola fide: alleen door het geloof. Maar dat geloof was dan ook weer geen verdienste. De Remonstranten beweren dat dit wel zo is. Maar als dát waar is, dan is de Hervorming toch weer verloochend. Dan heeft Rome met zijn verdienstelijkheidsleer tóch weer gelijk gekregen… Nee, zei toen de synode van Dordt, in onze banier staat dat een mens alleen door genade zalig wordt. Daarom kan dan ook zijn geloof niet zijn gerechtigheid voor God zijn.

 

De banier opnieuw gegeven

Zo zien we dat Dordt dus geen nieuwe leus had. En ook geen nieuwe banier. Het was de oude, maar die werd opnieuw in de strijd geworpen. En zijn leus, de leer van de vrije genade, heeft men toen consequent doorgedacht tot de grote gedacht van de uitverkiezing toe. Alleen zó krijgt God alleen de eer: soli deo gloria! En dat schreef Luther toch al in de banier van de Hervorming? 

Die banier heeft God opnieuw aan zijn strijders gegeven. Daarin ligt het verlossende element ook voor Davids besef. Hij ziet zijn strijders uitgaan met leeuwenmoed. Want God zelf voert ze aan. En dan is het ook goed. Dan komt het ook goed. Toen Israël zelf de ark in het leger haalde, verloren ze de slag. Maar toen God de banier gaf, toen kwam de overwinning! U hebt dat gedaan. Dat is de jubel van de tekst. Dat was ook de overtuiging van Dordt. Want de Remonstranten wilden op voet van gelijkheid hun leer laten onderzoeken. Maar de kerk is voor die druk niet geweken. De kerk wist, dat de banier van het Woord door God zelf in de hand was gegeven. Daarom konden onze vaderen de Remonstranten niet op voet van gelijkheid behandelen, omdat ze dat Woord en zijn gezag aantastten. Als onze vaderen dat wel zouden doen, dan zouden ze daarmee de banier weer achter een scherm hebben gezet.

Nu dan, daarin lag ook hun dankbaarheid. Ze hebben, met Davids knechten, de banier opgeheven. Of zoals we beter kunnen vertalen: ze hebben zich er om heen geschaard. De strijd is gestreden in het zicht van de banier en van haar wachtwoord: het beginsel van 1517. Toen hebben ze wonderen gedaan.

 

Gegrepen door de waarheid

Wij sukkelen jarenlang over één zinnetje in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Des te meer kunnen we versteld staan over zo’n werk als de Dordtse Leeregels, die in zó korte tijd is opgesteld. Dordt heeft daarin Gods soevereiniteit uitgeroepen. Maar ook zijn ontferming. Zijn onweerstandelijke wil, maar ook zijn ernstige roeping tot het evangelie. Zijn onafwijsbare raad, maar ook onze verantwoordelijkheid. Zijn alleen-werkende kracht in de wedergeboorte, maar toch ook onze vernieuwde werkzaamheid. En de verklaring van dat wonder? Nu, ze hieven de banier op: als teken of vanwege de waarheid. De waarheid zélf was hun drijvende, dwingende en stuwende macht. Ze konden niet anders.

Hoe zit het met ons, geestelijke nageslacht van Dordt? Hoe vaak stellen wij ons tevreden met het armoedige spel van: de banier opheffen voor de waarheid? Maar dat is best gemakkelijk: strijden voor de gereformeerde leer, voor een leus, voor een partijwoord, etc.

Daarom de vraag aan u en jou: kent u het geheim van de kracht van Dordt? Namelijk: het uitdragen van de banier vanwege de waarheid, omdat u zélf daardoor gegrepen bent? Juist de nalatenschap van Dordt, de leer van de uitverkiezing, legt deze klemmende vraag aan u voor: kent u ook zélf heel eigen, heel innig, persoonlijke godsvrucht (vroomheid)?

Laten we daarom jagen naar- en ons oefenen in die macht en in die innerlijke sterkte. Alleen dan kent u de heerlijke rijkdom van wat Dordt in stroeve taal verdedigt heeft: ‘het hangt niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.’

Alleen dan zijn we werkelijk kinderen van Dordt.

 

< - - - - - >

Dit moet u allereerst weten, dat geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat; want de profetie is destijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar heilige mensen van God, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.

(2 Petr. 1:20-21, HSV)

 

Actueel

Enige tijd geleden besloot de synode van de GKv alle ambten open te stellen voor vrouwen. Dat was niet zomaar een besluit alleen. Maar daarin werd juist een nieuwe visie op de Schrift en een nieuwe manier van Bijbeluitleg gelegaliseerd, die 25 jaar geleden nog nadrukkelijk werd afgewezen. Terecht werd door iemand gezegd dat Gods eigen Woord vogelvrij is verklaard, overgeleverd aan de mens van deze tijd. Overgeleverd aan een eigen uitleg die los komt te staan van het gezag van de Schrift en het geheel van de Schrift. 

Petrus spreekt hierover klare taal. Hij noemt dit eigenmachtige uitleg van de Schrift. Dat geldt echter niet alleen maar voor de GKv of anderen. Maar het is zeker ook goed om dit woord van Petrus onszelf voor te houden. Want ligt voor ons niet het gevaar op de loer dat we de Schrift aanpassen aan onze éigen uitleg en visie? Dat we er moeite mee hebben om ons te willen onderwerpen aan het gezag van heel Gods Woord over ons leven?

 

Betrouwbaarheid en gezag van de Bijbel

Juist de apostel Petrus heeft de kerk indringend gewezen op de betrouwbaarheid en het gezag van Gods Woord. Hij schrijft zijn brieven aan gemeenten die werden bedreigd door dwaalleer. Valse leraars probeerden de gemeenten af te voeren van het zuivere evangelie. De gemeenten werden hierdoor geconfronteerd met de betrouwbaarheid van het evangelie dat hen was verkondigd. Ze werden tot nadenken aangezet. Petrus ziet de vragen als het ware komen: is ons wel het echte woord van God gebracht?

En hoe weten we dat dan? Hebben wij het wel goed verstaan? Lezen we de Schriften wel goed? Te midden van deze vragen wil Petrus de gemeenten de vastheid en betrouwbaarheid van het evangelie op het hart binden. De gelovigen hebben geen kunstig bedachte verzinsels gehoord. Nee, ze hebben het zeer betrouwbare getuigenis van de apostelen gehoord. Apostelen die zelf oor- en ooggetuigen waren. Ze waren er zelf bij. Daarom kunnen de mensen gerust zijn. In de prediking van de apostelen ging het niet om hun eigen mening, speculaties of onzekerheden. Maar het ging om echte feiten. Betrouwbare feiten die door ooggetuigen zijn geconstateerd.

Die feiten hebben het profetische woord van het Oude Testament bevestigd. Wat geprofeteerd is in het Oude Testament, heeft echt vervulling gekregen in het leven en werk van Christus. De apostelen hebben dat zelf gezien en gehoord. Daaruit blijkt hoe betrouwbaar het profetische woord is. De Schrift is waar. En daarom hoeven de gemeenten zich te midden van opdringende dwaalleer en andere manier van Bijbeluitleg niet in de war te laten brengen.

 

Diepste reden betrouwbaarheid en gezag Bijbel

Petrus noemt dan in vers 21 de nadrukkelijke reden waarom dat niet hoeft. Waarom de profetie van heel de Schrift waar en betrouwbaar is. Omdat die ten diepste het eigen woord van God zelf is. Want profetie is niet voortgebracht door de wil van een mens. Mensen hebben niet zomaar uit eigen wil en uit eigen ‘duim’ gesproken en geschreven. Maar ze werden door de Heilige Geest gedreven! En omdat ze door Gods Geest gedreven werden, ja tóen hebben ze van Godswege gesproken. Achter heel de Schrift staat dus goddelijke autoriteit! Het is in het Oude- als in het Nieuwe Testament dezelfde Heilige Geest die in en door de menselijke schrijvers spreekt (Joh. 15:26, Hand. 1:8).

Onze tekstverzen vormen dan ook één van de bewijsplaatsen van de inspiratie van de Bijbel. De Bijbel is door God ingegeven. Paulus noemt dat in 2 Tim. 3:16 letterlijk: door God geademd. De Schrift is ‘theopneustos’. Het is een werking van God zelf door zijn Heilige Geest. Het ontstaan van de Schrift is aan de Heilige Geest toe te schrijven. Onder zijn inwerking spraken mensen Gods Woord, schreven ze het op. Daarom is de Bijbel het boek van God de heilige Geest. Hij is de eigenlijke Spreker en Schrijver.

 

Eenheid van de Bijbel

Dat betekent tegelijk dat in God zelf de eenheid van de Schrift vastligt. De Bijbel geeft zich als één boek van één goddelijke Auteur. En juist dat wordt vandaag de dag door velen ontkend. Ze zien de Bijbel als verzameling boeken. In de Bijbel zouden vele mensen, zoals Mozes en Paulus eigen gedachten en meningen hebben opgeschreven al of niet beïnvloed door hun tijd en cultuur, bijv. over de plaats en taak van de vrouw. De Bijbel is in hun ogen dan ook geen echte eenheid en bestaat uit mensenwoorden. Wat Mozes spreekt staat los van wat Paulus zegt. Dat kan ook niet anders, omdat ze verschillende personen waren die eeuwen na elkaar leefden in andere tijden.

Maar, in de Schrift zijn niet slechts verschillende mensen uit verschillende tijden aan het woord met eigen meningen. Petrus zegt nadrukkelijk: geen eigen uitleg. Er is in heel de Schrift één Spreker aan het Woord. God de Heilige Geest. Hij dreef mensen. En daarom hebben ze gesproken en geschreven van Godswege. Namens God, met zijn gezag en in zijn naam. En dat unieke karakter van de Schrift maakt de Schrift een eenheid, betrouwbaar en waar voor alle tijden. Omdat de eeuwige God daarin spreekt. En daarin zijn kerk van alle tijden en plaatsen op het oog heeft (Rom. 15:4)

 

Geen eigenmachtige uitleg

De Schrift heeft een goddelijke oorsprong. Daarom zegt Petrus dat de Schrift geen ‘eigenmachtige uitleg toelaat’. Dat is belangrijk om op te letten. Het woord ‘eigenmachtig’ kunnen we beter vertalen met: eigen, privé, geïsoleerd. Petrus waarschuwt ervoor dat we niet met een éigen, een privéuitleg mogen komen. Een uitleg die ons wel goed uitkomt, die past in onze (postmoderne) cultuur, in onze situatie en beleving.

Nee, willen we recht doen aan een bepaalde tekst, dan moet ons steeds het karakter van de hele Bijbel voor ogen staan. Dan laten we ons leiden door wat de Geest verder heeft gezegd in heel de Schrift. Dat betekent dat we Schrift met Schrift gaan vergelijken om tot een goede Bijbeluitleg te komen waarin we rekenen met Gods bedoeling.

Petrus wijst er zo op dat geen enkele profetie, geen enkele Bijbeltekst losgekoppeld kan en mag worden van het geheel van de Schrift. De eenheid van de Bijbel verhindert een geïsoleerde, uit de band springende uitleg van losse verzen of tekstgedeelten. En zo geeft Petrus – door de Geest gedreven – het belangrijkste uitgangspunt voor ons Bijbellezen en voor de Bijbeluitleg: lees heel de Bijbel en geen losse letters. Zoek de bedoeling van God en isoleer geen gedeelten van de werkelijke auteur.

 

De Bijbel: een lamp voor onze voet

De uitleg en de toepassing van de Schrift blijft zaak van de kerk, waarbij we ons moeten wachten voor het dodelijke gevaar van ‘eigen uitleg’, eigenwilligheid of isolationisme. De Schrift geeft zelf haar uitleg. Dat noemen we Schrift met Schrift uitleggen – zoals prof.dr. S. Greijdanus steeds benadrukte. En wij moeten onze uitleg, onze visie steeds toetsen en onderwerpen aan de Schrift. In plaats van omgekeerd, de Schriften te onderwerpen aan onze visie, voorkeur en cultuur. Alleen op die manier geldt wat Petrus zegt in vers 19:

wij hebben het profetische woord dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats.

Ja, Gods woord is echt een lamp voor onze voet en een licht op ons pad.

Ook voor de kerk anno 2018.